Cijfers

Verschillende groepen burgers ervaren in de Nederlandse samenleving maatschappelijke achterstand of uitsluiting. Voor een aantal groepen van die groepen geven we de belangrijkste cijfers op het gebied van arbeidsparticipatie, inkomen & armoede en discriminatie.

LHBT’s

Discriminatie:

  • Het aantal mensen in Nederland met een negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit is sinds 2006 gedaald (van 15% naar 7%). Het aantal mensen met een positieve opvatting steeg (van 53% naar 70%).
  • Twee vijfde van de homoseksuele mannen en lesbische vrouwen heeft in 2013 minimaal één situatie meegemaakt die als discriminerend is ervaren.
  • Een kwart van de homoseksuele mannen en van de lesbische vrouwen heeft in 2013 discriminatie ervaren in de openbare ruimte.     

Leefstijl:

  • Volgens de leefsituatie-index zijn er geen grote objectieve verschillen tussen LHBT’s en de gehele Nederlandse bevolking. Gemiddeld zijn LHBT’s wel minder tevreden met hun leven: zij geven hun leven gemiddeld een 7,3 tegenover een 7,8 bij heteroseksuelen.

Nederlanders met een migratieachtergrond

Inkomen & armoede:

  • In 2014 had bijna 32 procent van de huishoudens met een niet-westerse hoofdkostwinner een laag inkomen. Dat is bijna vier keer zo veel als bij autochtone huishoudens. Een langdurig laag inkomen komt bij hen bijna zes keer zo veel voor als onder mensen met een Nederlandse achtergrond.
  • Bijna 14% van de totale groep volwassen met een migratieachtergrond is arm, tegenover 5% van de autochtone bevolking.

Discriminatie:

  • 66% van de Marokkaanse Nederlanders, 64% van de Turkse Nederlanders en 52 tot 56% van de overige Nederlanders met een migratieachtergrond zijn in 2013 minimaal één keer gediscrimineerd. Onder mensen met een Nederlandse achtergrond is dit 19%.
  • Bij het zoeken naar werk ervaart 41% van de Marokkaanse Nederlanders, 35% van de Turkse Nederlanders, 29% van de Surinaamse Nederlanders en 23% van de Antiliaanse Nederlanders discriminatie. Onder autochtonen is dit 5%.

Werk:

  • Mensen met een migratieachtergrond waren in 2015 bijna drie keer zo vaak werkloos als personen met een Nederlandse achtergrond en anderhalf keer zo vaak als personen met een achtergrond uit de EU.
  • Tussen 2009 en 2016 is de arbeidsparticipatie van personen in alle vier de grootste migratiegroepen sterker gedaald dan die van personen met een Nederlandse achtergrond.

Mensen met een beperking

    Inkomen & armoede:

    • Het gemiddelde inkomen van mensen met een chronische ziekte of beperking is in 2013 een stuk lager (circa 70%) dan van de bevolking als geheel.
    • 93% van de mensen met een chronische ziekte of beperking heeft extra eigen uitgaven in verband met de gezondheid, van gemiddeld 1081 euro per jaar.

    Discriminatie:

    • Een derde van de mensen met een beperking heeft in 2013 minimaal één situatie meegemaakt die als discriminerend is ervaren.

    Werk:

    • Een op de zeven Nederlanders (13%) heeft naar eigen zeggen last van één of meer langdurige ziekten, aandoeningen of handicaps die hen (in lichte of sterke mate) belemmeren bij het uitvoeren of verkrijgen van werk.
    • Aandeel mensen met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA, WGA) en betaald werk, is in de periode 2008-2014 gedaald van 56% naar 43%.
    • Aandeel van mensen zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar met een arbeidsbeperking en betaald werk, is gedaald van 60% in 2009 naar 46% in 2014.

    Vrouwen

    Inkomen & armoede:

    • Na correcties van achtergrondkenmerken blijft er een onverklaarbaar beloningsverschil bestaan van 8% tussen mannen en vrouwen. Dit verschil is in twintig jaar niet afgenomen.
    • In 2014 hadden 230.000 vrouwen een langdurig laag inkomen.
    • In hetzelfde jaar liepen 768.000 vrouwen het risico op armoede. Daarmee was het 9,6 procent hoger dan bij mannen.
    • Vrouwen vormen de meerderheid (52,7 procent) in huishoudens met een laag inkomen.
    • In de leeftijdsgroepen 20 tot 44 jaar en rond 60 jaar zijn vrouwen oververtegenwoordigd in de bevolking met (langdurig) een laag inkomen. In beide levensfasen hebben vrouwen een hogere kans op armoede dan mannen als ze zonder partner leven.

    Werk:

    • In 2015 had 71% van de vrouwen van 20 tot 65 jaar een betaalde baan. In de periode 2008 tot 2014 schommelde het percentage tussen de 70-71%. Bij mannen daalde de arbeidsdeelname van 85% in 2008 naar 81% in 2014. In 2015 is het gestegen naar 82%.
    • De gemiddelde arbeidsduur van werkende vrouwen nam in de periode 2005 tot 2015 van 25,4 toe naar 26,6 uur per week. De gemiddelde arbeidsduur van mannen daalde in deze periode van 38, 6 naar 37,7 uur.

    Ouderen

      Inkomen & armoede:

      • 65-plussers hebben vergeleken met andere leeftijdsgroepen het laagste risico op armoede.
      • Tussen 55 en 65 jaar raken steeds meer mensen door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afhankelijk van een uitkering. In deze leeftijdsgroep is het aandeel met een laag inkomen dan ook hoger.

      Discriminatie:

      • Vier op de tien werkzoekenden tussen de 55 en 64 jaar ervaart discriminatie bij het zoeken naar werk.

      Werk:

      • Participatie van ouderen is in de periode 2003 tot 2014 sterk gestegen. De totale werkzame beroepsbevolking van 55 tot 64 jaar is toegenomen van ruim 0,8 miljoen naar 1,3 miljoen.