Vijf tips voor flexibiliteit in beschermd thuis wonen

Nieuws • 25 januari 2018

Inwoners met ggz-problematiek blijven steeds vaker en langer in de wijk wonen met begeleiding en zorg aan huis. Vroeger woonden ze in een beschermende woonvorm of intramuraal. Voor hen geldt dat er soms meer en soms minder behoefte is aan steun. Het is daarom belangrijk om de ondersteuning te kunnen op- en afschalen. Hoe kan de gemeente zorgen voor maatwerk en flexibiliteit?

Wisselende behoefte aan ondersteuningHet beleid van de overheid is erop gericht dat mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Niet iedereen kan zonder ondersteuning (blijven) wonen. Soms is er sprake van complexe problematiek, waardoor inwoners moeite hebben hun eigen leven vorm te geven. Een steun in de rug, soms meer dan dat is dan nodig. Specifiek voor mensen met ggz-problematiek geldt dat deze problematiek een wisselend beeld heeft. Daardoor kan de behoefte aan steun ook wisselen qua intensiteit. Dus soms in een lichte vorm, zoals een telefoontje (‘hoe gaat het?’). Soms zijn zwaardere vormen van hulp en ondersteuning nodig, zoals dagelijks contact met een gespecialiseerde hulpverlener, even een week rust in een respijthuis of in een uiterste geval een opname. Belangrijk is dat op het moment dat deze extra zorg of ondersteuning nodig is, deze meteen geleverd kan worden. De gemeente heeft een taak als het gaat om deze qua frequentie, aard en intensiteit onplanbare zorg.

Van denken in voorzieningen naar denken in resultaten

De gemeente voert de regie op het domein beschermd wonen en beschermd thuis. De overgang van beschermd wonen (d.w.z. in een woonvorm waar ondersteuning als een integraal pakket beschikbaar is en per dag kan variëren) naar beschermd thuis (waar bij iemand thuis ondersteuning op maat geboden wordt) vereist echt een andere manier van werken. Voor alle partijen – gemeente, professionele partijen, mantelzorgers en buren uit het sociale netwerk – vraagt deze nieuwe werkwijze een leertraject. Het is vooraf vaak lastig in te schatten welke situatie zich voordoet en wat dat vraagt aan ondersteuning.

Vijf tips helpen bij de omslag van voorzieningen naar resultaten:

  1. Stop met indiceren op basis van prijs x hoeveelheid (pxq), met een vast (week)budget en gekoppeld aan één specifieke ondersteuner of ondersteuningsvorm. Dit biedt geen oplossing meer. Flexibel budget is nodig om meer zorg te kunnen bieden als dat tijdelijk nodig is. Daarom is het nodig dat de zorg ‘opgeplust’ kan worden zonder extra indicatie. Of ingevuld kan worden door een andere vorm van steun. Spreek daartoe een resultaat af met een daaraan gekoppeld budget (b.v. cliënt is adequaat ondersteund bij het voeren van zijn huishouden en het plannen van zijn leven gedurende drie maanden). In Rotterdam bedenken organisaties zelf wanneer er meer of minder nodig is. Ze werken met een gemiddeld weekbudget van 3,5 uur per week. Normaal zetten ze 1,5 uur in. Daardoor creëren ze financiële ruimte voor die momenten dat er extra inzet nodig is.
  2. Leg in het gemeentelijke beleid afspraken vast over kwaliteit. Zodat bijvoorbeeld, zoals in Rotterdam, gestuurd wordt op cliënttevredenheid en resultaat. De ondersteuning is per wijk uitbesteedt aan een consortium. Deze aanbieder krijgt voor hulpvragers een persoonsvolgend budget. De aanbieder schakelt waar nodig zelf anderen in ter ondersteuning. Het gaat om kwaliteit vanuit cliëntenperspectief. Hanteer als gemeente kwaliteit van leven als criterium in plaats van kwaliteit van zorg.
  3. Daag aanbieders en instellingen uit om tijdelijke opvang gezamenlijk te organiseren. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom iemand tijdelijk een bed nodig heeft. Als diverse organisaties hierbij slim samenwerken, kan er per organisatie bespaard worden op vrije bedden. Dat kan ook prima sectoroverstijgend georganiseerd worden. Juist door over die sectoren heen de afspraken te maken kom je tot besparingen.
  4. Ga met de aanbieders om tafel zitten en bedenk samen hoe je de 24-uurszorg kunt organiseren: bespreek met elkaar de bereidheid om in het weekend of ’s nachts naar een hulpvrager te gaan die niet jouw klant is maar die wel op jou kan rekenen als het gaat om acute hulp en ondersteuning. Kom je daar uit, kijk dan wie waar woont en wie wie kent. Vervolgens maak je samen een bellijst voor verwijzing. Een gedeelde visie en goede onderlinge samenwerking is hierbij onmisbaar.
  5. Organiseer een gemeentelijk calamiteitenfonds. Dat kan ingezet worden bij niet-voorziene kosten zoals het opruimen van een ernstig vervuilde woning. Daarmee voorkom je koudwatervrees bij aanbieders, waardoor ze geen zorg en ondersteuning durven leveren als dat wel nodig is.
Margit van der Meulen

Heeft u een vraag? Neem contact op met onze expert.

Margit van der Meulen