Experimenten in de bijstand

Deze worden in de pers vaak aangeduid als experimenten rond een basisinkomen, maar zoals de experimenten nu zijn vormgegeven gaat het om experimenten  met een ‘regelarme’ bijstand op beperkte schaal en onder strikte voorwaarden, zoals geformuleerd in het Tijdelijk Besluit experimenten Participatiewet

Wat wordt verstaan onder een basisinkomen?In zijn zuivere betekenis houdt een basisinkomen een onvoorwaardelijk inkomen voor iedere burger in Nederland in. Discussies rond een dergelijk inkomen gaan vaak over hoogte en betaalbaarheid. Daarnaast zou een dergelijk ‘gratis’ inkomen de onderlinge solidariteit kunnen aantasten. Voorstanders betogen dat de overheid door een dergelijk inkomen burgers vertrouwen schenkt, waardoor het een stimulerende werking zal hebben. Met als resultaat: minder maatschappelijke kosten en meer persoonlijk welbevinden.

Het besluit in het kort
In het nu geformuleerde Ontwerpbesluit wil de Staatssecretaris antwoord op de volgende vragen:

  • In hoeverre leidt de interventie (de beleidsmaatregel) in de onderzoeksgroepen tot regulier, betaald werk?
  • En tot volledige onafhankelijkheid van de bijstandsuitkering?

Een maximum van 25 gemeenten, of 4% van het totaal aantal Nederlandse bijstandsgerechtigden, mogen deelnemen aan de experimenten. Alleen gemeenten die de Participatiewet naar de letter uitvoeren mogen meedoen aan de experimenten. De duur van het project is vastgesteld op twee jaar.

Bijstandsgerechtigden ondertekenen een verklaring waarin staat dat hun deelname geheel vrijwillig is. Het is hen echter verboden om tijdens het experiment te stoppen.

Elk experiment kan bestaan uit zes groepen. Eventueel zijn voor kleinere gemeenten drie voldoende. Bijstandsgerechtigden worden willekeurig toegewezen aan een van de volgende groepen:

  1. De ontheffingsgroep. Deze is vrijgesteld van formele verplichtingen om werk te vinden. Zij worden tijdens de experimenteerperiode niet onderworpen aan sancties die normaal worden uitgedeeld als de gemeente vindt dat een persoon in gebreke blijft. Na 6 of eventueel 12 maanden volgt een evaluatiemoment. Bij onvoldoende inspanning, wordt hij of zij uit het experiment gezet;
  2. De ‘intensiveringsgroep’ krijgt tijdens de experimenteerperiode te maken met extra verplichtingen en taken richting werk en re-integratie op de arbeidsmarkt, Zal in de praktijk neerkomen op minstens een verdubbeling van het aantal contacten met ambtenaren, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Participatiewet;
  3. De ‘vrijlatinggroep’, mag naast hun bijstandsuitkering 50 procent van hun inkomsten uit arbeid houden met een maximum van 199 euro per maand voor alleenstaanden en 142 euro voor gehuwden.
  4. Een combinatie van bovenstaande groepen, waarbij de eerste twee groepen (de ontheffingsgroep en de intensiveringsgroep) altijd gecombineerd moeten worden in een experiment;
  5. Een controlegroep;
  6. Een referentiegroep bestaande uit bijstandsgerechtigden die in dezelfde gemeente wonen, maar niet deelnemen aan het experiment.

Gemeenten moeten schriftelijk een verzoek indienen om mee te kunnen doen. In het Ontwerpbesluit experimenten Participatiewet staat aan welke voorwaarden dit verzoek dient te voldoen. Het Ontwerpbesluit vermeld ook de gronden waarop de minister dit verzoek kan afkeuren.

Kritiek: te weinig ruimte

De oorspronkelijke initiatiefnemers (de gemeenten Groningen, Utrecht, Tilburg, Wageningen) vinden dat de huidige Participatiewet een ingewikkeld systeem van re-integratieverplichtingen en hoge sancties bevat, die de eigen verantwoordelijkheid, regie en creativiteit van bijstandsgerechtigden beperkt. In de experimenten willen ze dan ook onderzoeken of alternatieven beter werken. Toegespitst op

  1. Wat er gebeurt als bijstandsgerechtigden geen arbeids- en re-integratieplicht meer hebben en daarmee zelf de verantwoordelijkheid krijgen om aan hun re-integratie te werken. 
  2. Wat het effect is als mensen meer van hun bijverdiensten mogen houden.

De betrokken wetenschappers van de Universiteiten van Groningen, Utrecht, Tilburg, Wageningen vinden nu dat de regeling te weinig ruimte biedt om op een zinvolle manier te kunnen experimenteren. Betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek zou binnen dit kader niet mogelijk zijn. Ook vrezen zij een gebrek aan vrijwilligers, omdat pas na aanmelding duidelijk wordt of men in een verlicht of verzwaard regime terecht komt. In een open brief pleiten de wethouders sociale domein van 11 andere gemeenten ook om een ruimere regeling. Tenslotte zet Divosa ook vraagtekens bij de beperkte opzet: “Experimenten met een parttime baan, het starten van een bedrijf, de zorg voor kinderen of andere familieleden mogen niet.” 

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer heeft op 27 oktober 2016 in een overleg met mevrouw Klijnsma soortgelijke kritiek geuit.

Suggesties van Movisie

Aanbevelingen om tot zinvolle experimenten te komen: 

  • Spreek van tevoren de verwachtingen uit en geef heldere informatie over het doel, werkwijze, ruimte etc.
  • Iedereen die betrokken is moet volledig achter het experiment staan, de controle los kunnen laten en vanuit vertrouwen gaan werken.
  • Laat de doelgroep van het experiment actief meedenken, meedoen en mee-creëren. Door het creëren van een ‘learning community’ is er ruimte om te experimenteren.